In het schooljaar 2005-2006 zijn we gestart met het geleidelijk invoeren van coöperatief leren. Deze vorm van leren verandert weinig aan WAT kinderen leren, maar wel aan HOE ze leren. Er ontstaan veel leersituaties waarin een kind samen met één of meerdere kinderen een leertaak uitvoert met een gemeenschappelijk doel. Coöperatief leren is een werkvorm die een beroep doet op échte gezamenlijke verantwoordelijkheid van de kinderen. Kinderen in een groepje zijn samen verantwoordelijk voor wat ze samen leren. Ze ‘liften’ niet mee met een ander, maar volbrengen opdrachten door middel van gelijkwaardige inbreng van elk kind.
Hieronder vindt u een uitvoerige beschrijving van het coöperatief leren.

Algemeen
In elke groep werken we aan een vriendelijke en open sfeer, waarin kinderen fouten durven en mogen maken; kinderen worden niet uitgelachen. In elke groep werken de kinderen met elkaar, niet los van elkaar en niet in competitie met elkaar.
De gebruikelijke rolverdeling in de onderwijsleersituatie is dat de leerkracht lesgeeft en de kinderen leren door oefenen, proberen, herhalen en (soms) inslijpen.

Kinderen leren
Kinderen maken elke dag kennis met nieuwe onderwerpen. Er zijn heel veel kinderen en volwassenen, die nog weten hoe en wanneer ze hebben leren fietsen; ze herinneren zich vaak het overwinningsgevoel.
Naast het spontaan leren, leren kinderen heel veel van elkaar. Vriendjes leren elkaar bijvoorbeeld hoe je een voetbal kunt stoppen, hoe je kunt hinkelen, hoe je je eerste Engelse woordje moet uitspreken.
We ervaren dagelijks dat kinderen elkaar iets op een heel heldere manier kunnen uitleggen. Dit komt onder andere doordat ze het probleem zelf onder de knie hebben gekregen. Ze kunnen zich nog heel goed verplaatsen in de positie van degene die iets nog niet begrijpt of kan. Ze kennen de moeilijke kanten van een probleem, die de volwassenen nog wel eens over het hoofd zien. Een kind heeft leer-kracht.

Kinderen leren

Samenwerkend leren / coöperatief leren
‘Samen leren door samen te werken’ is het motto van het coöperatief leren. Als kinderen in groepen (teams) werken, nemen ze op gelijke wijze deel aan een gezamenlijke taak. Ze zijn niet alleen verantwoordelijk voor de eigen prestatie, maar voor de prestatie van het hele team.

Coöperatief leren is gebaseerd op vier principes (G.I.P.S.-model):

  • Gelijke deelname: alle kinderen nemen op een gelijke wijze deel aan de activiteit; je kunt niet achteroverleunen of meeliften met een ander.
  • Individuele aanspreekbaarheid: iedereen is op gelijke wijze aanspreekbaar voor het verloop en het resultaat: iedereen heeft een actieve inbreng.
  • Positieve wederzijdse afhankelijkheid: kinderen moeten samenwerken om tot het beste resultaat te komen.
  • Simultane actie: de activiteiten vinden gelijktijdig plaats; alle kinderen zijn gelijktijdig actief bezig met het onderwerp onder andere door te luisteren naar en te praten met elkaar.

Didactische structuren
Het hart van het coöperatief leren vormen de didactische structuren (werkvormen). Vanaf de kleutergroepen worden deze vormen aangeleerd en uitgebouwd met allerlei variaties. Doordat de kinderen er van kleuter af aan mee leren werken hoeft de werkvorm niet steeds opnieuw te worden uitgelegd aan de kinderen en kan er vrijwel meteen inhoudelijk gewerkt worden. Hieronder een kleine opsomming van veelgebruikte werkvormen.

  • Binnen-buiten kring: Kinderen lopen rond in een binnen en een buiten kring en beantwoorden vragen met wisselende partners.
  • Tweetal coach: In tweetallen lossen de kinderen om de beurt een probleem op, terwijl de ander meekijkt en luistert.
  • Tweegesprek op tijd: Kinderen werken in tweetallen; de kinderen vertellen gedurende een van te voren vastgestelde tijd iets, terwijl de partner goed luistert. De rollen worden daarna omgedraaid.
  • Tweepraat: Kinderen werken in tweetallen (schoudermaatje) of teams van vier kinderen en geven om beurten antwoorden op of zoeken oplossingen voor het aangegeven probleem.
  • Tafelrondje: Kinderen werken in een groepje van 4 kinderen, schriftelijk of mondeling, aan een antwoord op een vraag of oplossing van een probleem.
  • Tweevergelijk: Kinderen schrijven eerst individueel antwoorden op en ze vergelijken daarna de antwoorden met elkaar.
  • Zoek iemand die: Al lopend door de klas zoeken kinderen een partner die het antwoord heeft op de vraag die het kind op zijn kaartje heeft staan.

Voorbeelden van enkele opdrachten
Onderstaande opdrachten worden aan de kinderen gegeven, waarbij ze middels een van de werkvormen binnen het coöperatief leren aan de slag gaan. Wanneer de leerkracht de kinderen de tafel van zes wil leren en hierbij de hele klas actief wil laten zijn (in plaats van dat enkele kinderen betrokken zijn en de antwoorden noemen), kan er gekozen worden voor een werkvorm binnen het coöperatief leren, waardoor alle kinderen actief bezig zijn rondom de tafel van zes.

  • (Groep 7) Schrijf, samen met je schoudermaatje, om beurten kenmerken op van een gemengd bos.
  • (Groep 2) Benoem met je schoudermaatje om beurten de kleuren van de kleurpotloden.
  • (Groep 3) Schrijf om de beurt met je schoudermaatje een woord op dat begint met een b.
  • (Groep 8) Lees de aardrijkskundeles door. Schrijf drie stellingen op, waarvan één stelling onwaar is. Presenteer de stellingen aan je team en vraag welke de valse is. Laat het antwoord motiveren.
  • (Groep 4) Zoek iemand die op zijn kaartje het antwoord van jouw tafelsom heeft staan.
  • (Groep 5) Vertel aan het kind in de buitenkring gedurende een minuut wat je het weekend hebt meegemaakt (daarna wisselen).

Voordelen van coöperatief leren zijn:

  • Kinderen ontwikkelen een actieve en betrokken leerhouding.
  • Er is sprake van een grotere leeropbrengst, omdat iedereen actief meedoet.
  • De denkontwikkeling wordt gestimuleerd.
  • Er is sprake van een goede en bewuste ontwikkeling van sociale vaardigheden.
  • Er is een groepsklimaat waarin kinderen zich veilig voelen, dit vergroot het respect en de sfeer tussen de leerlingen (pedagogisch klimaat).
  • De kinderen leren positief met elkaar omgaan waardoor bereidheid ontstaat om elkaar te helpen en te motiveren.
  • De kinderen leren hun gedachten onder woorden te brengen.
  • De kinderen leren meer van en door elkaar (twee weten al meer dan één, laat staan vier).
  • Er zijn tegelijkertijd meer kinderen actief.
  • De relaties tussen leerlingen onderling verbeteren.

Enkele specifieke basisvaardigheden van het coöperatief leren zijn:

  • Elkaar aankijken tijdens het praten.
  • Vriendelijk op elkaar reageren.
  • Elkaar gelegenheid geven mee te doen.
  • Een inbreng durven hebben.
  • Duidelijk praten, zodat anderen je verstaan.
  • Meewerken aan de teamopdracht.
  • Luisteren naar elkaar.
  • Elkaar uit laten praten.
  • De inbreng van een ander accepteren.
  • Bij je groepje blijven.
  • Rustig praten en werken.
  • Materiaal met elkaar delen.
  • Om de beurt praten.
  • Aan de taak doorwerken tot deze af is.

Basisbegrippen
Verder gebruiken we de volgende begrippen, die in alle groepen dezelfde betekenis hebben:

  • Schoudermaatje - dit is het kind dat naast je zit.
  • Liniaalstem - dit is de stem die je gebruikt als je met je schoudermaatje praat.

Op internet is nogal wat informatie over coöperatief leren te vinden. U moet er wel rekening mee houden, dat er inmiddels ook al enkele ‘stromingen’ ontstaan zijn, die soms op meerdere punten afwijken van de oorspronkelijke manier van werken.